'In de VS bekijkt men per zaak wie het beste het verhoor kan afnemen' | Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik

U bent hier:Home > Taskforce > Blog San Diego International Conference > 'In de VS bekijkt men per zaak wie het beste het verhoor kan afnemen'

'In de VS bekijkt men per zaak wie het beste het verhoor kan afnemen'

Taskforcelid Aafke Scharloo bezocht in 2013 de 27ste International Conference on Child and Family Maltreatment in San Diego. Zij doet verslag over verhoortechnieken en het onderscheid tussen kindermishandeling en kindermarteling.

Op de conferentie in San Diego zijn ieder jaar een aantal presentaties over forensic interviewen van kinderen. Hiermee wordt bedoeld de gespreksvoering met kinderen als er vermoedens zijn van seksueel misbruik. Deze gesprekken zijn bedoeld om op objectieve wijze te achterhalen wat er aan de hand is. In Nederland worden deze gesprekken/verhoren vrijwel uitsluitend door de politie gevoerd. Meestal door speciaal daartoe opgeleide politiemensen. Men gaat er hier vanuit dat dit politiewerk is. In de Verenigde Staten en vele andere landen kiest men hierin een ander standpunt. In de VS worden zaken rondom kindermishandeling en seksueel misbruik altijd in een team onderzocht waarin hulpverleners en politie en justitie samenwerken en wordt per zaak bekeken wie het beste in staat is het verhoor af te nemen. In toenemende mate worden deze gesprekken door hulpverleners gevoerd die daartoe speciaal zijn opgeleid. In opleidingsgroepen nemen zowel politiemensen als hulpverleners deel. Door de gezamenlijke opleiding is er geen sprake van een competentiestrijd en vindt wederzijdse vruchtbare beïnvloeding plaats.

Waar wel een strijd over is geweest is over de methodiek van het (ver)horen van kinderen. Er waren in de VS een viertal grote methodieken gangbaar die onderling verschilden in de accenten die gelegd werden. In 2012 is men erin geslaagd in grote lijnen op basis van onderzoek te komen tot een eenheid. De APSaC (American Professional Society on the abuse of Children) heeft eind 2012 nieuwe richtlijnen uitgegeven waar eenieder zich in kan vinden.

De belangrijkste veranderingen in het model betreft vooral het eerste gedeelte van het interview waarin het kind en de interviewer elkaar moeten leren kennen er er kennismakingsvragen worden gesteld om te achterhalen hoe het met de ontwikkeling van het kind gesteld als gesproken wordt over minder beladen onderwerpen. In het oude model werden doorgaans korte vragen gesteld over het leven van het kind. In het nieuwe model wordt er met het kind geoefend in de wijze van vraagstelling, zoals die later in het gesprek ook wordt gebruikt als het gaat over het vermoeden van misbruik. Er wordt geoefend aan de hand van een neutraal voorbeeld. Gestart wordt bijvoorbeeld met de vraag: 'Vertel eens over wat je leuk vindt om te doen?'. Als het kind dan antwoord dat het van voetbal houdt, reageert de interviewer met te zeggen: 'Je zei dat je van voetbal houdt. Vertel eens over de laatste keer dat je hebt gevoetbald?'.

Op deze manier krijgt de verhoorder een goed beeld van wat het kind kan vertellen aan de hand van een open vraag over een neutrale gebeurtenis en wordt het kind uitgenodigd zo veel mogelijk uit zichzelf te vertellen. Dat is belangrijk als het eigenlijke onderwerp wordt aangesneden omdat een gulden regel is dat hoe minder vragen er worden gesteld hoe betrouwbaarder het verhaal van het kind is. Onderzoek naar dit model laat een spectaculaire groei zien van de hoeveelheid en de accuraatheid van de informatie als deze vraag gesteld wordt en er zo geoefend wordt. Dit in tegenstelling tot de oude situatie waarbij korte vragen werden gesteld.

Daarnaast werd ook onderzoek en richtlijnen gepresenteerd naar het gebruik van anatomisch correcte poppen en tekeningen. De laatste jaren is er een aantal onderzoeken geweest waaruit de conclusie werd getrokken als zou het een goed idee zijn deze hulpmiddelen zoveel mogelijk te vermijden. De resultaten en de onderzoeksmethodiek van deze onderzoeken werden door verschillende presentaties sterk bekritiseerd en de conclusies in twijfel getrokken.

Als richtlijn voor handelen geldt nu dat het gebruik van anatomisch correcte poppen en tekeningen als het een doel dient, zoals bijvoorbeeld het laten zien hoe zaken zijn gegaan (illustratiemateriaal), goed te verantwoorden en aanbevolen wordt omdat kinderen vaak niet over de woorden beschikken om ingewikkelde en door hen niet begrepen handelingen accuraat in taal uit te leggen.

De hierboven geschetste ontwikkelingen zijn ook voor ons land betekenisvol omdat het hier gehanteerde verhoormodel een vertaling is van een van de in de VS gebruikte modellen. Het doorontwikkelen van ons verhoormodel lijkt dan ook aan de orde en zal dan ook hier de te verhoren kinderen ten goede kunnen komen.

Domestic Child Torture: een wake-up-call?

Nieuw op de conferentie in San Diego is dit jaar dat er tijdens een aantal presentaties gepleit werd voor het invoeren van een onderscheid tussen kindermishandeling en kindermarteling in de thuissituatie. Op het eerste gezicht een onderscheid waarvan je je afvraagt wat het belang hiervan is. Toch is het belangrijk om hier bij stil te staan.

Met betrekking tot een definitie van het begrip kindermarteling is voorgesteld te kijken naar de volgende aspecten: - Er is minstens sprake van twee verschillende soorten fysieke mishandeling (ook kan er sprake zijn van seksueel misbruik); - Er is sprake van minimaal twee elementen van psychische mishandeling; - Er is sprake van verwaarlozing, resulterend in ‘emotional distress’ of pijn.

Benadrukt wordt dat er in dergelijke zaken een strakke dynamiek is van macht en controle over het kind. Geregeld is er sprake van één kind in het gezin dat het zwarte schaap is en die deze martelingen langdurig moet verdragen. In de meerderheid van de gevallen zijn naast de pleger ook de andere kinderen uit het gezin en de partner betrokken. In elk geval is iedereen in het huis op de hoogte van wat er gebeurt. Vaak worden de andere kinderen in het gezin ook beloond voor het vernederen of pijn doen van het betreffende kind. Opvallend vaak zijn vrouwen betrokken als pleger.

Een rondvraag onder de aanwezige Nederlanders deelnemers aan de conferentie leerde dat ieder van ons in zijn caseload wel een aantal zaken heeft (gehad) die aan de bovenstaande definitie voldoet. Toch spreken we in Nederland bij deze zaken niet van kindermarteling maar hanteren we alleen het begrip kindermishandeling. Doordat we deze zaken classificeren als kindermishandeling, komen we in de aanpak snel uit bij hulpverleningsmethodieken die werken aan het ondersteunen van de ouders en het verminderen van hun onmacht. Doorgaans komt het ook niet tot een grondig onderzoek van wat er zich thuis afspeelt en worden politie en justitie nauwelijks betrokken. Vaak worden kinderen die vertellen dat zij zijn gemarteld niet geloofd en wordt uitgegaan van het verhaal van de ouders.

Onze Amerikaanse collega’s geven aan dat het bij hen voorkomt dat de kinderbescherming meegaat in het verhaal van de ouders en verzuimt met het kind zelf te praten, met als gevolg dat het martelen doorgaat. De gevolgen zijn desastreus: 36 procent van de gemartelde kinderen overleeft het niet.

De ervaring leert in de Verenigde Staten ook dat de ouders meestal blijven ontkennen en dat daarom forensisch medische kennis nodig is, in combinatie met het horen van alle betrokkenen in het huishouden.

Met het maken van het onderscheid tussen kindermishandeling en kindermarteling  ontstaat er oog voor de hartverscheurende situatie van een nu onzichtbare groep kinderen. Kinderen die nauwelijks erkenning en behandeling krijgen voor hetgeen hen is aangedaan. Ook komen mogelijk plegers van zware gewelds- en/of zedenmisdrijven in beeld, die ten onrechte gezien worden als hulpbehoevende en machteloze ouders. Tenslotte kan ook aandacht gegeven worden aan de andere kinderen in het desbetreffende gezin die evenzeer slachtoffer zijn en behandeling nodig hebben bij de verwerking van hetgeen ze hebben meegemaakt.